Page 6 - Loupe-3-2015
P. 6
Innovatie  Naoual Bennaghmouch,
Poli NOAC: innovatief zorgproject
Naoual Bennaghmouch, coördinator van de poli NOAC
Achtergrond
Atriumfibrilleren (AF) is een veel voorkomen- de oorzaak van herseninfarcten (TIA, CVA). Mensen met AF hebben een vijfmaal grotere kans op het krijgen van een herseninfarct.1 Orale antistollingsmiddelen zoals de vitamine K antagonisten (VKA) acenocoumarol en fenprocoumon, worden gebruikt ter preventie van herseninfarcten bij AF.2
Voorlichting en begeleiding van zowel patiënten als artsen
Om patiënten optimaal te behandelen met orale anticoagulantia, moet een balans worden gevonden tussen enerzijds een reductie van trombose (effectiviteit) en anderzijds het risico op intracraniële bloedin- gen (veiligheid), die veroorzaakt kunnen worden door het gebruik van orale anticoagu- lantia.3,4
De afgelopen jaren zijn de richtlijnen omtrent antistollingsbehandeling aangepast en de
non-vitamine K orale anticoagulantia (NOAC) dabigatran, rivaroxaban en apixaban aan het therapeutisch arsenaal toegevoegd.5 NOAC zijn relatief nieuwe middelen waarvan de effectiviteit en complicaties bestudeerd zijn in grote klinische trials en met name bij patiënten met AF hun effectiviteit hebben bewezen.6,7,8
Het voordeel van behandeling met NOAC is dat (wekelijkse) bepaling van de stollingsactiviteit (INR) niet meer nodig is, wat voor patiënten erg prettig kan zijn. Een potentieel voordeel is een stabielere remming van de stolling.
Referenties
Probleemstelling
Waakzaamheid bij het gebruik van NOAC is essentieel vanwege de gemiddeld hogere leeftijd van patiënt met AF en vanwege het belang van therapietrouw om optimale effectiviteit te bereiken. Derhalve is goede patiënteducatie en een goede follow-up essentieel. Conform de “Leidraad begeleide introductie nieuwe orale antistollingsmidde- len” dient de invoering van NOAC vooralsnog in een gespecialiseerde omgeving plaats te vinden, waarbij veel nadruk gelegd moet worden op een goede indicatiestelling, informatievoorziening en controle (inclusief
1.Wolf, Abbott, Kannel. Atrial fibrillation as an independent risk factor for stroke: the Framingham Study. Stroke 1991;22:983-988. 2.Hart, Pearce, Aguilar. Meta-analysis: antithrombotic therapy to prevent stroke in patients who have nonvalvular atrial fibrillation.
Annals Int Med 2007; 146(12):857-67.
3.Goto, Bhatt, Röther, et al, REACH Registry Investigators. Prevalence, clinical profile, and cardiovascular outcomes of atrial fibrillati-
on patients with atherothrombosis. Am Heart J. 2008;156:855–863.
4.Van der Meer, Rosendaal, Vandenbroucke, et al. Bleeding complications in oral anticoagulant therapy. An analysis of risk factors.
Arch Intern Med. 1993; 153(13):1557-62.
5.Camm, Lip, De Caterina, et al, ESC Committee for Practice Guidelines. 2012 focused update of the ESC Guidelines for the ma-
nagement of atrial fibrillation: an update of the 2010 ESC Guidelines for the management of atrial fibrillation. Eur Heart J. 2012;
33(21):2719-47.
6.Connolly SJ, Ezekowitz MD, Yusuf S, et al. Dabigatran versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med.
2009;361:1139.
7. Patel MR, Mahaffey KW, Garg J, et al. Rivaroxaban versus warfarin in nonvalvular atrial fibrillation. N Engl J Med.
2011;365(10):883-91.
8.Granger CB, Alexander JH, McMurray JJ, et al. Apixaban versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med.
2011;365(11):981-92.
9.Leidraad begeleide introductie nieuwe orale antistollingsmiddelen. 2012.
6 LOUPE | SEPTEMBER 2015


































































































   4   5   6   7   8